Voorlopige Voorzieningen in het Turks Burgerlijk Procesrecht

Het Turks burgerlijk procesrecht voorziet in een instrument voor voorlopige rechtsbescherming waarmee rechters kunnen ingrijpen voordat een definitief vonnis is gewezen. In het Turks aangeduid als ihtiyati tedbir, stelt dit instrument rechters in staat om de rechtspositie van een partij te beveiligen gedurende de gehele procedure, teneinde te voorkomen dat het tijdsverloop of een wijziging van omstandigheden een gunstig eindvonnis illusoir maakt. De wettelijke grondslag is neergelegd in de artikelen 389 tot en met 399 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nr. 6100, in het Turks aangeduid als Hukuk Muhakemeleri Kanunu (HMK), dat in 2011 in werking trad en het stelsel van voorlopige rechtsbescherming in Turkije grondig vernieuwde.

Begrip en rechtsnature

De voorlopige voorziening naar Turks recht is een tijdelijke gerechtelijke maatregel die geen beslissing inhoudt over de inhoud van het geschil. De rechter die een dergelijke maatregel treft, neemt geen standpunt in over de vraag welke partij uiteindelijk in het gelijk zal worden gesteld. Dit onderscheid is fundamenteel: een rechter mag geen voorlopige voorziening treffen waarvan het effect neerkomt op een definitieve regeling van het punt dat in de hoofdzaak ter beslissing staat. Een dergelijke uitkomst zou de bodemprocedure zinledig maken en het eindvonnis van zijn betekenis beroven. De Turkse Hoge Raad (Yargıtay) heeft dit uitgangspunt in vaste rechtspraak bevestigd.

De voorlopige voorziening (ihtiyati tedbir) dient onderscheiden te worden van het conservatoir beslag (ihtiyati haciz), dat is geregeld in de wet op de tenuitvoerlegging en het faillissement. Het conservatoir beslag is voorbehouden aan geldvorderingen en richt zich uitsluitend op het vermogen van de schuldenaar. De voorlopige voorziening daarentegen heeft een aanzienlijk ruimer toepassingsbereik: zij kan worden getroffen in elke procedure waarbij een bepaald recht of een bepaald goed in het geding is, ongeacht of het geschil van vermogensrechtelijke aard is.

Wettelijke vereisten

De vereisten voor het treffen van een voorlopige voorziening zijn neergelegd in artikel 389 lid 1 HMK, dat als volgt luidt:

Mevcut durumda meydana gelebilecek bir değişme nedeniyle hakkın elde edilmesinin önemli ölçüde zorlaşacağından ya da tamamen imkânsız hâle geleceğinden veya gecikme sebebiyle bir sakıncanın yahut ciddi bir zararın doğacağından endişe edilmesi hâllerinde, uyuşmazlık konusu hakkında ihtiyati tedbir kararı verilebilir.

Deze bepaling houdt in dat een voorlopige voorziening kan worden getroffen wanneer er een gegronde vrees bestaat dat een wijziging van de huidige situatie de verkrijging van het betrokken recht aanmerkelijk zal bemoeilijken of volledig onmogelijk zal maken, dan wel dat vertraging een ernstig nadeel of aanzienlijke schade zal veroorzaken. Uit deze bepaling vloeien twee fundamentele vereisten voort. Ten eerste dient de verzoeker de aanwezigheid van het te beschermen recht aannemelijk te maken volgens de Turkse procesrechtelijke maatstaf van yaklaşık ispat, te vertalen als een voldoende mate van aannemelijkheid, die lager ligt dan volledige bewijslevering maar meer vereist dan een blote stelling. Ten tweede moet een concrete gevaarssituatie worden aangetoond, waaruit blijkt dat afwachten tot het definitieve vonnis voor de verzoeker een reëel en ernstig risico oplevert. Deze twee vereisten komen inhoudelijk overeen met de klassieke beginselen van het continentale procesrecht: fumus boni iuris en periculum in mora.

Bevoegdheid en indiening van het verzoek

Artikel 390 HMK regelt welke rechter bevoegd is kennis te nemen van een verzoek om een voorlopige voorziening. Vóór de aanvang van de bodemprocedure moet het verzoek worden ingediend bij de rechter die bevoegd zou zijn over de hoofdzaak te oordelen. Nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt, kan het verzoek uitsluitend worden ingediend bij de rechter die de hoofdzaak behandelt. Deze bevoegdheidsregel waarborgt de samenhang tussen de voorlopige procedure en de bodemprocedure.

Het verzoekschrift dient aan bepaalde formele vereisten te voldoen. De verzoeker is gehouden de grondslag van zijn verzoek duidelijk uiteen te zetten, de gewenste maatregel concreet te omschrijven en de aard en het bedrag van de te stellen zekerheid te vermelden. De rechter beslist in de regel zonder mondelinge behandeling. Wanneer de bescherming van het recht onmiddellijk vereist is, biedt artikel 390 lid 2 HMK de rechter de mogelijkheid de maatregel te treffen zonder de wederpartij vooraf te horen, dat wil zeggen in een eenzijdige procedure. Deze bevoegdheid vindt haar rechtvaardiging in de overweging dat een voorafgaand hoor en wederhoor in spoedeisende gevallen het beoogde beschermingseffect volledig kan tenietdoen.

Inhoud van de maatregel

Artikel 391 HMK laat de rechter een ruime beoordelingsruimte bij de bepaling van de concrete vorm van de voorlopige voorziening. De wet noemt uitdrukkelijk als mogelijkheden: de inbewaringneming van een goed of recht, de overdracht ervan aan een door de rechter aangewezen bewaarder, alsmede geboden of verboden tot het verrichten of nalaten van bepaalde handelingen. In de Turkse rechtspraktijk worden voorlopige voorzieningen onder meer getroffen om de overdracht van een onroerende zaak te verhinderen in een geschil over eigendomsrecht, om een echtgenoot het gebruik van de echtelijke woning toe te wijzen gedurende echtscheidingsprocedures, om de werking van aandeelhoudersbeslissingen te schorsen in vennootschapsrechtelijke geschillen, en om de verspreiding van inbreukmakend materiaal te verbieden in intellectuele-eigendomszaken. Daarbij geldt als vaste grens dat de voorlopige voorziening niet het karakter mag aannemen van een definitieve regeling van het geschil.

Zekerheid

Artikel 392 HMK verplicht de verzoeker tot het stellen van zekerheid ter dekking van de mogelijke schade die de wederpartij of derden kunnen lijden ingeval de voorlopige voorziening achteraf ongegrond blijkt te zijn. De aard en de hoogte van de zekerheid worden door de rechter per geval vastgesteld. Een uitzondering geldt wanneer het verzoek steunt op authentieke akten of ondubbelzinnig bewijs; in dat geval kan de rechter, mits hij zijn beslissing uitdrukkelijk motiveert, afzien van de verplichting tot zekerheidstelling. De zekerheidsplicht vervult een dubbele functie: zij beschermt de wederpartij tegen de gevolgen van een ten onrechte getroffen maatregel en werkt tegelijkertijd als drempel tegen misbruik van de voorlopige voorzieningenprocedure.

Tenuitvoerlegging en termijnen

De tenuitvoerlegging van de getroffen maatregel dient binnen één week na het wijzen van de beschikking te worden verzocht, bij gebreke waarvan de maatregel van rechtswege vervalt ingevolge artikel 393 HMK. De tenuitvoerlegging geschiedt door het executiekantoor (icra dairesi) in het ressort van de rechter die de maatregel heeft getroffen, of op de plaats waar het voorwerp van de maatregel zich bevindt. Indien noodzakelijk is het executiekantoor bevoegd dwangmiddelen aan te wenden.

Wanneer de voorlopige voorziening is getroffen vóór de aanvang van de bodemprocedure, rust op de verzoeker ingevolge artikel 397 HMK de verplichting om binnen twee weken na de datum waarop de tenuitvoerlegging is gevraagd, de hoofdzaak aanhangig te maken. Het bewijs van de aanhangigmaking dient te worden overgelegd aan het executiekantoor, dat daarvoor een ontvangstbewijs afgeeft. Wordt deze termijn niet nageleefd, dan vervalt de voorlopige voorziening van rechtswege. Dit mechanisme van automatisch verval beoogt te voorkomen dat de voorlopige voorziening als zelfstandig pressiemiddel wordt aangewend, losstaand van een serieuze rechtsvordering in de hoofdzaak.

Rechtsmiddelen en opheffing

De partij die zonder voorafgaande behandeling door een voorlopige voorziening is getroffen, kan daartegen verzet instellen. De rechter beslist op dit verzet met voorrang. Als gronden voor verzet kunnen worden aangevoerd: de onbevoegdheid van de rechter, het ontbreken van de wettelijke vereisten, onvoldoende aannemelijkheid van het recht en bezwaren tegen de aard of hoogte van de zekerheid. De beslissing op het verzet staat op haar beurt open voor hoger beroep bij het regionale hof (Bölge Adliye Mahkemesi).

Artikel 396 HMK biedt beide partijen voorts de mogelijkheid om wijziging of opheffing van de maatregel te verzoeken bij een wezenlijke verandering van de feitelijke of juridische omstandigheden die aan het treffen ervan ten grondslag lagen. De rechter behoudt aldus een voortdurende controlebevoegdheid over de door hem getroffen maatregelen.

Aansprakelijkheid bij onterechte voorziening

Artikel 399 HMK regelt de gevolgen van een voorlopige voorziening die achteraf ongegrond blijkt te zijn geweest. De partij die een dergelijke maatregel heeft verkregen, is gehouden de schade te vergoeden die de wederpartij en eventuele derden als gevolg van de tenuitvoerlegging hebben geleden. De vordering tot schadevergoeding dient te worden ingesteld binnen één jaar na de datum waarop de maatregel is opgeheven of het vonnis in de hoofdzaak kracht van gewijsde heeft gekregen. Dit aansprakelijkheidsregime vormt een aanvulling op de zekerheidsplicht en strekt ertoe te waarborgen dat van de voorlopige voorzieningenprocedure uitsluitend in goede trouw en met een serieus doel gebruik wordt gemaakt.


Voor meer hulp of advies over deze kwestie kunt u contact met ons opnemen.

Anasayfa Artikelen Procesrecht Voorlopige Voorzieningen in het Turks Burgerlijk Procesrecht
Anasayfa Artikelen Procesrecht Voorlopige Voorzieningen in het Turks Burgerlijk Procesrecht